|
De
Bergense School op reis
Ze waren
altijd wel reislustig
geweest, de schilders
van de Bergense School.
Al in de jaren 10 van de
vorige eeuw was Filarski
al kind aan huis in
Zwitserland, verbleef
van Blaaderen jaarlijks
in Samois-sur-Seine,
vertrokken Gestel, Berg
en Schwartz naar
Mallorca, was Lubbers in
Argentinië en zwierf
Troelstra door de
Scandinavische landen.
Hun kleurgebruik was
opvallen licht en helder
en liet hun verwantschap
met het Luminisme zien.
Anders
werd het toen de
Fransman Henri Le
Fouconnier zijn
theorieën over een
nieuwe schilderkunst
ontvouwde. Zijn vurig
pleidooi voor de nieuwe
mogelijkheden in de
kunst vond veel bijval
bij de jonge
schildersbent die zich
van lieverlee in het
Noord-Hollandse Bergen
had gevestigd. Daar
ontstond tussen 1915 en
1925 in een krachtige
donker-expressionistische
vormentaal, gevoed door
het kubisme een nieuwe
wijze van schilderen die
weldra de Bergense
School werd genoemd. De
eenheid binnen die
school was opvallend
groot. Vanaf 1916 had
dat Bergense
expressionisme met zijn
felle contrastwerking en
vereenvoudiging van de
vlakken een niet meer
weg te denken plek
verworven in de
toenmalige recensies en
tenslotte in de
kunstgeschiedenis.
Het palet
van de schilders van de
Bergense School
vertoonde in 1920 nog
alle kenmerken van de
stroming toen de eerste
schilders aarzelend de
hutkoffers tevoorschijn
haalden. Gewapend met
tubes en potjes in
donkere kleuren
passeerden ze de grenzen
op zoek naar nieuwe,
zonnige bronnen van
inspiratie. Toch zou het
nog vele jaren duren
voordat die zon echt in
staat zou zijn hun
coloriet te bepalen en
de donker-kubistische
vloedgolf uit Nederland
in gloedrijke kleuren om
te zetten. |