|
|
Leo Gestel (1881-1941)
minnaar van het liefelijke Leie-land
Zijn leven en zijn werken zijn in de laatste kwarteeuw door
velen in beeld gebracht via tentoonstellingen, boeken en
catalogi. Na 1980 kwam de (her)waardering voor deze veelzijdige
schilder pas echt op gang. Het
leek een soort wedergeboorte.
Tijdens zijn leven was Gestel een gevierd kunstenaar en
verscheen al de eerste monografie over hem, geschre- ven door
zijn vriend Willem van der Pluym. Dat was
in 1936. Na Gestels overlijden in het oorlogsjaar 1941 moest er
tot 1946 worden gewacht voordat er een overzichtstentoonstelling
van zijn werk kon worden gemaakt. Immers onder de oorlog was
zijn werk “entartet” verklaard.1
Het Stedelijk Museum in Amsterdam kweet zich van
zijn taak en Jos de Gruyter hield bij die gelegenheid een
beschouwing over het werk van de schilder. J. Slagter schreef
het voorwoord van de catalogus en die namen zeggen dat er al het
mogelijke was gedaan om de overleden schilder postuum te eren.
Uitgever Boucher, zelf een groot kunstliefhebber, liet nog in
datzelfde jaar binnen de “St. Lukas Reeks”, een rijk
geďllustreerd boekje over Gestel verschijnen, geschreven door
Mr. J. Slagter. Daarin werd veel aandacht gegeven aan de periode
waarin de schilder aan de Leie woonde en werkte.
Leo Gestel had eind mei 1925 zijn intrek genomen in
het Heylig Huyzeke, een kleine herberg aan de Leie,
niet ver buiten Drongen. Hij wilde er, na een gestrande romance,
weer wat orde in zijn leven brengen. In Vlaanderen, waar hij al
in diezelfde zomer samenwerkte met de schilder G.W. van
Blaaderen en zijn vrienden Gustave De Smet en Constant Permeke
geregeld be- zocht, ontstond een belangrijk deel van zijn
oeuvre.
Hij vond er de rust om de seizoenen op de voet te volgen.
“Eindeloos vertellen nu zijn scheppingen van het schoone
Leie-land, hetzij van de boorden zelf of van de weidsche beemden
rondom, waar koren- en aardappel- landen golven over het
prachtige Vlaanderen”, schreef Van der Pluym.2
Gestel vond in Vlaanderen een grote rijkdom aan landelijke
motieven waarin mens en dier vaker dan ooit tevoren een rol
kregen toebedeeld. Hij creëerde er een belangrijk en kleurrijk
hoofdstuk uit zijn oeuvre.
Ruim een jaar nadat de schilder - in januari 1928 - in
Bergen was teruggekeerd, werd zijn atelier getroffen door brand,
waarbij ook een groot deel van zijn Vlaamse werk verloren ging.
1. De Storm, in een geďllustreerd artikel met de kop:
Gemeenschap of En- keling, haalde een - onbekende - schrijver in
april 1941 fel uit naar het werk van Gestel dat hij ontaarde
kunst noemde. Gestel heeft die zieke aanval op zijn oeuvre nog
meegemaakt. Een half jaar later overleed hij.
2. Prof. Willem van der Pluym, Leo Gestel, Amsterdam/Antwerpen,
1936, pag. 36
Leo Gestel (1881-1941) (2)
een kleurijke weergave van het oogstende Vlaanderen
Een groot deel van het oeuvre van Leo Gestel is door- trokken
van zijn liefde voor het land en de mensen die het bewerken. We
zien dat al in 1917-1918 als hij voor het eerst vanuit Bergen in
Koedijk het boerenleven ontdekt. De schilder heeft dan net weer
een periode van ziekte achter de rug. Het ruimtelijke
Noordhollandse landschap met zijn hoge luchten en daaronder de
kleine nietige mens aan het werk, moet een verrassende
uitwerking op hem hebben gehad. Hij maakt er veel schetsen en
tekeningen en enkele werken in olieverf.1 Als hij in het
voorjaar van 1921 voor het eerst in de Beemster schildert,
betrekt hij ook uitdrukkelijker dan voorheen de dieren in zijn
werk. Er verschijnen zelfs kippetjes op zijn tekeningen.
Tijdens de reis die hij maakte naar Duitsland en Italië
- in 1923 en 1924 - was het dier wat minder nadrukkelijk
aanwezig op zijn linnen, maar dat zou veranderen nadat Gestel in
de zomer van 1925 in Vlaanderen was neergestreken. “De rust van
het liefelijke Leielandschap, de hartelijkheid van zijn Vlaamse
vrienden en de gemoedelijkheid en eenvoud van de bevolking
stimuleerden hem weer aan het werk te gaan”.2 Gestel onderhield
in deze jaren veel kontact met Gustave De Smet. De schilders
kenden elkaar al vanaf 1914 toen De Smet vanuit België naar
Nederland was gevlucht. Ze onderhielden sindsdien een hechte
vriendschap.
Over Gestels werk in Vlaanderen schreef Mr. J. Slagter:
“In deze belangrijke Vlaamschen tijd is het werk geboren van
zijn laatste periode, waarin hij den definitieven vorm zijner
verbeelding vindt. Eerst dan komt zijn kracht tot volle
ontlading. Het landschap en de figuur worden grooter en
bewogener. Meer en meer komen als motieven de op het land
werkende mensch en het dier. Bewonderaar van Bruegel, Van Gogh
en Vlaamsche jongeren ziet hij den Vlaamschen boer en zijn
primitieve, massieve grootheid in het zich daarbij aansluitende
landschap. In een prachtig rythme bewegen de dieren zich op de
weiden langs de Leie. Aardappelrooiers, ploegers en zaaiers,
boeren die hun vee drijven”.3
1. Vermoedelijk heeft Koedijk hem nog meer geďnspireerd dan kan
wor-
den vastgesteld omdat een heel groot deel van Gestels oeuvre
verloren
is gegaan bij de atelierbrand in februari 1929. Dat gold
eveneens voor zijn werken uit de Beemsterperiode 1922-1923, de
reis naar Duitsland en Italië 1923-1924 en heel zeker ook voor
een belangrijk deel van
zijn oeuvre dat was ontstaan gedurende zijn verblijf van juni
1925 tot januari 1928 in Vlaanderen.
2. Marijke Estourgie-Beijer e.a. Leo Gestel, Schilder en
tekenaar, Zwolle,
1993, pag. 85
3. Mr. J. Slagter, Leo Gestel, Sint Lukas Reeks, Den Haag, 1946,
pag. 15
en 16
|