Willem
Jansen; een leven lang strijd voor zijn
kunstenaarsschap.
De vroegste werken van Willem
Jansen (1892-1969) laten zijn affiniteit zien
met het luminisme, een stroming die rond 1909 in
Nederland haar hoogtijdagen beleefde. Jansen zal
dat werk mogelijk als jongeman al hebben gezien.
Hij gebruikte de lichte kleuren zelf voor het
eerst in 1916 in een bijzonder fraai, enigszins
symbolistisch weergegeven zelfportret waar op
dat moment veel verwachtingen uit zou mogen
worden geput. Evenals uit het ontwerp voor een
affiche dat door de makers van de
tentoonstelling werd gedateerd in 1910-1911. Dat
lijkt erg vroeg. De kleine zwarte
streepjestechniek werd in onze schilderkunst met
name rond 1915-1916 veel toegepast. Zie het
oeuvre van de schilders Wim Schuhmacher, Elsa
Berg, Arnout Colnot e.a.
Fraai
is ook Jansen’s luministisch getinte werk
“Landschap met huizen en bomen uit 1917”, maar
lang duurt zijn flirt met het licht niet. Een
paar jaar later heeft hij de overstap gemaakt
naar de sfeer van de Haagse School, duidelijk
herkenbaar in het werk “ Molen het Prinsenhof te
Westzaan” die in zomer en wintertooi wordt
vereeuwigd.
Jansen
bouwt een eigen oeuvre op, met veel “Zaans”
groen dat je ook bij zijn zoon Chris en bij
schilders als Cornelis Koning en Jan de Boer
tegenkomt. Zelfs in Freek Engels’s werk en bij
Cees Bolding is dat groen soms terug te vinden.
Nou wordt en vooral “werd” Zaandam omringd door
de polders. Dus was het “groen” voor de
handliggend. Maar toch: het door de schilders
gebruikte groen, geeft helaas aan veel werken
een erg sombere stemming. Natuurlijk: het
leven was hard, het leven was armoede. Maar
waarom is dat juist zo waarneembaar bij de
Zaankanters? Was het daar erger dan elders? Of
zit het misschien in de volksaard? Je wordt er
nieuwsgierig van.
Interieurs
Ik heb
het antwoord daarop niet gevonden op de
tentoonstelling die een tamelijk wisselend beeld
geeft van de schilder; er is moeilijk een lijn
aan te brengen in zijn oeuvre. Hoewel de
schilder zelf zijn interieurschilderijen
kennelijk als “broodschilderijen” bestempelde
(want dat werk werd gekocht en leverde het geld
op om van te leven), kan geenszins worden
gezegd dat die werken minder van kwaliteit
zouden zijn. Integendeel, ik vind ze tot de
beste van zijn oeuvre behoren. Geheel in de
traditie van de oude Petrus van Schendel
(1806-1870), beroemd om zijn
kaarslichtschilderijen, wist ook Willem Jansen
vaak met het licht een fascinerende sfeer te
creëren . Helaas waren maar weinig
lamplichtschilderijen - Leo Gestel maakte rond
1908 ook veel lamplichtwerken - op de
tentoonstelling vertegenwoordigd. De molens
hadden het grootste deel van de wanden in beslag
genomen. Dat was een beetje jammer, want
Willem Jansen kon veel meer en dat kwam er
op deze tentoonstelling onvoldoende uit.
Catalogus
Aan de
begeleidende catalogus is duidelijk door
vrijwilligers met veel plezier en met veel
liefde gewerkt en dat is te loven. Toch maakt de
catalogus een even sombere indruk als het oeuvre
van Willem en Chris Jansen. Is de drukker hierin
te kort geschoten? De platen zijn wel heel erg
donker! Waarom niet het kleurrijke werk van de
Blauwbrug in Amsterdam op het omslag gezet, waar
terecht in de zaaltekst een verwijzing stond
naar impressionisten als Hendrik Jan Wolter. Dan
had de catalogus er een stuk aantrekkelijker
uitgezien. Maar… de makers hebben gelijk: het
was dan geen afspiegeling geweest van zijn
oeuvre en dat is het nu wel.
renée
smithuis